Dagelijks leven in oorlogstijd |
| A: Algemeen |
![]() |
Voor de oorlog |
| Als je vergelijkt hoe de mensen meer dan 60 jaar geleden leefden in Nederland en hoe ze nu leven dan is er eigenlijk niet zo veel verschil. Mensen gingen naar hun werk, maakten ruzie, hielden van elkaar, deden boodschappen, kinderen gingen naar school. Men luisterde naar de radio en las de krant. Natuurlijk was er nog geen TV en waren er veel minder auto's, ook de computer moest nog uitgevonden worden. Maar echt heel anders wordt het leven daar niet door. |
| Dagelijks leven in bezet Nederland |
![]() |
| Maar in de oorlog veranderde het gewone leven wel ingrijpend. Je moest altijd je persoonsbewijs (een soort paspoort) bij je hebben. Als je wat wilde kopen had je niet alleen geld maar ook bonnen nodig. En heel veel spullen waren er gewoon niet meer. Ook al had je geld en bonnen: het was niet te koop. Over deze twee onderwerpen: distributie en het persoonsbewijs straks verder. |
![]() |
Naarmate de oorlog langer duurde veranderde er steeds meer. Veel dingen werden door de bezetter gewoon verboden. Zo moest iedereen 's avonds voor een bepaalde tijd in huis zijn, mocht je niet meer naar de radio luisteren. Hele gebieden waren Verboden Militair Terrein (bijvoorbeeld het strand). Je mocht geen postduiven meer hebben. Ook gewone zaken als geld en postzegels veranderden. Want daar stonden immers de afbeelding van Koningin Wilhelmina op. Dus kwam er allemaal ander geld en andere postzegels. |
| Reizen met de bus of de trein was nauwelijks meer mogelijk. Je mocht niet zomaar ergens naar toe reizen. Daar moest je eerst toestemming voor vragen. Ging je met de trein dan kon je niet zomaar ergens in een coup gaan zitten want sommige waren gereserveerd voor Duitse soldaten. Verstuurde je een brief dan werd deze gecontroleerd door de bezetter (censuur). Even bellen was er niet meer bij, de telefoon werkte gewoon niet. Sommige straatnamen werden veranderd: je bleef in hetzelfde huis wonen en toch kreeg je een ander adres.... Al die bezettingsmaatregelen stonden in de krant, of op grote affiches (aanplakbiljetten) die overal opgeplakt werden. |
![]() |
![]() |
In het begin van de oorlog lukte het de meeste mensen wel zich aan de veranderingen aan te passen. Maar toen de maatregelen steeds strenger werden en er echt te weinig te eten was, werd het steeds moeilijker. Vooral in de laatste oorlogswinter (1944-1945) was de nood heel hoog. Meer dan 15.000 mensen in het westen van Nederland stierven toen van honger en kou. Deze winter staat bekend als de Hongerwinter. |
|
B: Distributie |
![]() |
| Voor de oorlog | |
|
Distributie is het zo eerlijk mogelijk verdelen van voedsel, kleding, brandstof enzovoorts. Distributie wordt gebruikt op het moment dat er veel te weinig is van heel veel dingen. Dat heet schaarste. Als je dan iets wilt kopen, heb je niet alleen geld nodig maar ook distributiebonnen. Arm of rijk, iedereen krijgt evenveel distributiebonnen. Al voordat de oorlog werd er in Nederland geoefend met het distributiesysteem, want dat is best een ingewikkelde zaak. Iedere Nederlander kreeg een Distributiestamkaart. Met die kaart kon je bonnen krijgen. En alleen met die bonnen, en met geld natuurlijk, kon je in de winkel je boodschappen doen. Geen bonnen meer? Jammer, maar dan had je je deel opgebruikt. |
![]() |
Distributie en schaarste in de oorlog |
| Tijdens de bezetting was er pas echt schaarste. Er was zo weinig te krijgen dat haast alles 'op de bon' was. In de krant kon je lezen wanneer je welke bonnen kon inleveren. Het distributiesysteem zorgde voor een eerlijke verdeling. Om het weinige wat er was zo goed mogelijk te benutten, werd er veel voorlichting gegeven. De mensen kregen lessen in zuinigheid en ze leerden hoe ze spullen konden hergebruiken (dat heet nu recyclen). Soms waren producten gewoon op. Bijvoorbeeld koffie, thee en tabak, dat kon immers niet meer ingevoerd worden. Daarom kwamen er namaakproducten: surrogaten. Zo kwam er surrogaatkoffie, surrogaatthee en surrogaattabak in de handel. Maar het smaakte naar niks. |
|
| De 'zwarte-markt' | |
| Niet iedereen hield zich keurig aan de distributieregels. Dat gebeurde soms met de beste bedoelingen, bijvoorbeeld om iemand te helpen die ziek was. Maar er waren ook mensen die het als beroep deden: de zwarthandelaren. Ze verkochten hun spullen in het geheim, 'op de zwarte-markt'. De prijzen die ze vroegen waren absurd hoog, echte woekerprijzen. Zo verdienden deze afzetters heel veel geld aan de oorlog. | |
| Ruilhandel | |
| Om de distributie te omzeilen kon je ruilen bijvoorbeeld een jas voor een kilo aardappelen, een paar schoenen voor een pakje boter. In de krant stonden ruiladvertenties. Zo kwam je met elkaar in contact en dat was toegestaan. | |
| Na de oorlog | |
| Na de bevrijding was de schaarste niet meteen voorbij. Veel artikelen bleven nog jaren op de bon. Pas in de jaren vijftig was alles 'bonvrij'! | |
| C: Het Persoonsbewijs | |
| Algemeen | |
| Als je een land bezet wilt houden dan is een goede bevolkingsadministratie heel belangrijk. Je moet immers precies weten wie er in dat land wonen en wat ze doen. De Duitsers bedachten daarom dat iedere Nederlander een Persoonsbewijs (PB) moest hebben. Op dit PB stond je naam en adres, je geboortedatum en -plaats, een vingerafdruk en je pasfoto. Iedereen vanaf 14 jaar moest zo'n PB hebben en je moest het altijd bij je hebben. De gegevens die op de PB vermeld stonden, werden opgeslagen in een bevolkingsregister. Op deze manier kon de bezetter iedereen in Nederland goed controleren. En als je papieren niet in orde waren dan was je verdacht en werd je onmiddellijk meegenomen. |
|
| Het vervalste Persoonsbewijs |
![]() |
| Voor mensen die in het Verzet zaten was dat PB een lastige zaak want zij wilden juist niet dat de Duitsers wisten wie ze waren en waar ze woonden. Daarom maakten de mensen uit het verzet hun eigen persoonsbewijzen waarop natuurlijk een valse naam en een aagepaste foto op stonden. Dat vervalsen was een heel precies karweitje. Er waren maar weinig mensen die dat goed konden. Andere verzetsmensen probeerden de persoonsgegevens in de archieven te veranderen of te verwijderen. Dat lukte meestal alleen als de ambtenaren van het bevolkingsregister meewerkten. |
|
| Het Persoonsbewijs en de joden | |
| De invoering van het persoonsbewijs was ook bedoeld om de joden in Nederland apart te zetten. In hun PB werd een grote zwarte 'J' gestempeld en die 'J' stond ook op hun kaart in het bevolkingsregister. Op die manier konden de Duitsers precies zien wie joods was en wie niet. | |
| Literatuur: Een Tweede Wereldoorlog G. Koopmans. Leeuwarden, 1997 Friesland en de Tweede Wereldoorlog J.J. Huizinga. 1996 Leeuwarden Bezettingstijd in Friesland deel I t/m III P. Wijbenga. 1995 Leeuwarden Dat kan ons niet gebeuren... E. Werkman e.a. 1980 Amsterdam |
Afbeeldingen: De afbeeldingen van voorwerpen en de foto's zijn afkomstig uit het fotoarchief van het Verzetsmuseum Friesland. Mocht iemand menen rechten te kunnen laten gelden, neemt u dan contact op met het museum. |
|